Geest-drift

Advent…

 

Genesis 3 vers9: “En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?”
Heb je het beeld van de vissersvrouw, die op de uitkijk staat bij het herdenkingsmonument in Urk, weleens gezien? Het raakt mij: ze staat daar dag en nacht bij alle weer de horizon af te turen, of ze dat ene scheepje ziet verschijnen. Hoeveel namen staan er op die borden, hoeveel vrouwen hebben daar echt gestaan: wachtend, hunkerend, biddend, in hoop en wanhoop. Dit is een slecht voorbeeld voor advent, want dat is anders, ik mag toch aannemen dat jij met advent vooral hoopt en niet wanhoopt? Ik bid wel dat onze vasthoudendheid bij advent overeen mag komen met die van de vissersvrouw in Urk!
Advent betekent verwachting, zeg maar gerust: blijde verwachting. We verwachten Jezus Christus, onze Verlosser. Het komt van het Latijnse woord ‘adventus’, dat betekent ‘aankomst, nadering’: Jezus nadert en komt ééns aan!
De eerste aanleiding tot de komst van het Kerstkind staat in het hierboven genoemde vers: boven dat hoofdstuk staat ‘de zondeval’, dan weten we meteen maar waarom Jezus naar de aarde moest komen. In die Bijbeltekst zie ik meteen de andere kant van advent: God riep “Waar bent U?” God verwachtte Adam, maar die had zich verstopt. God was natuurlijk teleurgesteld: Zijn schepping was nog maar net klaar, we lezen in dat verhaal steeds: “En God zag dat het goed was.” Twee hoofdstukken later ging het al mis! En ze gingen meteen wijzen. Adam wees: “De vrouw die U mij gaf…”. Eva zei: ‘De slang…”.
Mag ik wel zeggen: “God is teleurgesteld”? God weet toch alles van tevoren? Daarom wist Hij toch ook dat de zondeval zou komen? We weten niet hoe dat echt zit, dat moeten we niet wíllen weten, dat heeft ook te maken met ‘de boom van de kennis van goed en kwaad’, waarvan wij niet mogen (w)eten. Dat heeft ook te maken met de toren van Babel, daar mochten we geen ‘toren die tot in de hemel reikt’ bouwen. Eerst geloven, dan zien, niet andersom!
Nu weer advent: verwachting, maar dan ook wat God van óns verwacht! Ik dacht aan een andere indringende vraag van God, iets verderop in Genesis 4 vers 9: “En de HEERE zei tegen Kaïn: waar is Abel, uw broer? En hij zei: ik weet het niet.”
God vraagt ook aan ons: “Waar zijn je broeder en je zuster?” Als we met Kerst door corona toch niet met de hele familie bij elkaar mogen zitten, kunnen we natuurlijk wel één of twee anderen uitnodigen. Weet jij iemand? Misschien wel een eenzame naaste die net zo op de uitkijk staat als die Urker vissersvrouw. Of iemand die allang niet meer uitkijkt…
Eén Advent, twee vragen van God:
“… Waar bent u?”
“… waar is …?”
Je moet er nú mee aan de slag, anders is het te laat! Er staat er Eén op de uitkijk…

Wacht, de bel gaat. Er staat een sjofel stel voor de deur: smoezelig, stinkend naar zweet en naar vee. Vluchtelingen? Zij loopt zo te zien op alledag, een meisje nog maar. Haar gezicht ziet vermoeid en asgrauw. Hij vraagt: “Heeft u misschien een slaapplaats voor ons? We komen van ver.” Zij leunt zwaar op hem: “Heb je even een stoel? Ik ben niet zo lekker”, ze wankelt…
Tja, wat nu?