Tijd…
Genesis 1 vers 2-5: "De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.”
Voor oud en nieuw schreef ik al over ‘tijd’. Daar was ik eigenlijk nog niet mee klaar.
Ik was nog maar een jochie, ik denk een jaar of vijf. Ik lag op de bank zomaar wat op kinderlijke wijze te filosoferen en vroeg mijn moeder: “Wie heeft God gemaakt?” Haar antwoord was: “God ís niet gemaakt, God leeft eeuwig en was er altijd al.” Ik vroeg niet door, maar ik was eigenlijk niet tevreden met haar uitleg. Ik dacht: wat heeft God al die tijd dan in Zijn Eentje gedaan? En dáárvóór…? Eerlijk gezegd begrijp ik het nu nóg niet.
Ik kom weer met dat mysterieuze woordje ‘tijd’: toen de aarde woest en leeg en duister was, wás er nog geen tijd, denk ik. Is ‘de tijd’ begonnen tijdens de eerste scheppingsdag, toen God licht en donker gemaakt had? Voor ‘die tijd’ ziet het er beangstigend uit: “De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed…”
De vorige keer schreef ik dat de tijd langzamer gaat als de snelheid toeneemt. Het heelal dijt uit en naar de buitenkant gaat dat steeds sneller. Wij kunnen 13,8 miljard lichtjaren ver in de ruimte kijken. Verder kún je niet kijken, omdat dan alle materie de lichtsnelheid heeft. Gaat alles daar voorbij nóg sneller, of kan dat niet? We weten het niet. Is God daar ergens, in een tijdloze ruimte? Dat is beangstigend ver weg!
Ik ken mensen uit de provincie die het eng vinden om van hun eiland af te gaan. Ik had als kind aan boord, als we uit het buitenland kwamen en de Nederlandse grens passeerden, een gevoel van opluchting: we zijn weer ‘thuis’. Er zijn al mensen op de maan geweest: akelig ver, buiten de aantrekkingskracht van de aarde. Doodstil, want er is geen atmosfeer. Je moet zuurstof bij de hand hebben, anders stik je meteen: hoe van God verlaten en onherbergzaam!
Binnen afzienbare tijd zullen er wel mensen naar Mars reizen: nog akeliger ver, de aarde zie je daar nog als een speldenprikje. Wat moet je je daar verloren voelen! Je bent twee jaar onderweg. In ‘lichtjaren’ is dat een paar minuten. Vergelijk dat eens met 13,8 miljard lichtjaar! Dan ben je aan de grens van het heelal. Alleen de gedachte: daar krijg ik het al benauwd van! Ik las: “Het totale heelal is mogelijk oneindig…” Brr… wat ís oneindig eigenlijk?
Ho, dit gepieker gaat te ver, dit komt buiten ons begrijpen en kunnen én mogen. Dit moeten we aan onze machtige God overlaten! Niet wíllen begrijpen!
Ik denk aan Psalm 8 vers 4-6:
“Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt,
wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt…”
Tijdens de dienst van eerste kerstdag zongen we Psalm 150a uit de Nieuwe Psalmberijming: een heerlijk en aanstekelijk lied! Het gaat over ‘het Woord’. Weet je nog? En God sprak…
“Geprezen zij God! Gij engelenkoor
dat steeds naar Hem hoort, prijs Hem om zijn Woord!
Gij hemelen, loof Hem wiens hand alles schiep,
die allen daarboven tot dankzegging riep.”
Ik begrijp het niet, goede God, als Ú het maar begrijpt!
Ik geef mijn leven én mijn dood in Úw hand…